Historie van Veenhuizen – ontstaan en ontwikkeling
In het noordoosten van gemeente Dijk en Waard ligt het buurtschap Veenhuizen. Sinds 1854 hoort Veenhuizen bij voorheen Heerhugowaard, nu Dijk en Waard. De polder Heerhugowaard ontstond in 1631 toen het meer De Waard werd drooggelegd. Veenhuizen stond toen al op droge grond en is dus ouder dan de drooglegging van de polder. De geschiedenis van Veenhuizen hangt sterk samen met het ontstaan van het meer De Waard, waar het dorp vroeger aan lag.

Een eerste kerk in Veenhuizen?
In oude documenten van de graaf van Holland (vanaf 1343) en de bisschop van Utrecht (vanaf 1389) worden stukken land bij Veenhuizen genoemd als ‘Op der Deke’ of ‘Deek’. De naam Deek betekent: ruig land dat is aangespoeld. Dat past goed bij hoe deze werflanden er vroeger uitzagen. Langs Veenhuizen lagen een rij eilanden met namen zoals Nessewerf, Paardebos en Sappewerf. Deze eilanden waren vroeger vrij groot en lagen op een hogere strook land. Mogelijk was dit een zuidelijke uitloper van de West-Friese kreekrug. Omdat dit gebied hoger lag, bood het lange tijd bescherming tegen het water. Maar door overstromingen aan de oostkant ontstond het meer, de Veenhuizerwaard. Hierdoor verloor Veenhuizen bijna de helft van zijn grondgebied: van 600 hectare bleef nog maar 340 hectare over. De eilanden kwamen daardoor los te liggen van Veenhuizen.
Ook aan de westkant ging veel land verloren. Het meer de Waard spoelde daar stukken land weg tussen Langedijk en de eilanden. Uiteindelijk bleven er alleen nog enkele eilanden over. Deze uitbreiding van het meer gebeurde waarschijnlijk tussen het jaar 1300 en 1400, en kostte Veenhuizen veel grond.
Door stormen raakten de oevers van het meer De Waard beschadigd. Veenbulten en rietbossen braken los en dreven rond als kleine eilandjes. Door de wind spoelden ze uiteindelijk aan op deze werflanden.
Waarschijnlijk lag op deze hogere gronden de eerste veenontginning van Veenhuizen. Er woonden mensen, maar er ontstond geen lange rij huizen zoals in andere dorpen. Daarom is er in Veenhuizen geen duidelijke ontginningsas te zien. Een ontginningsas is een rechte lijn of strook in het landschap van waaruit mensen vroeger het land gingen ontginnen. Dat betekent: ze maakten het land geschikt voor landbouw, bijvoorbeeld door bossen te kappen of meren droog te leggen. Langs zo’n as werden vaak boerderijen gebouwd. Vanuit deze boerderijen gingen mensen het land bewerken. De percelen lagen meestal haaks (dwars) op de ontginningsas, zodat iedereen een stuk grond had dat begon bij de weg en verder het land in liep. De middenweg in Heerhugowaard is een voorbeeld van een oude ontginningsas.
In 1356 werd Deek door de bisschop verhuurd aan Gherardt van Heemsteden. In het huurcontract staat dat Deek mogelijk een dochterkerk was van Schoorl, net als Berghen, Oudekerspel, Zuid-Scharwoude en Noord-Scharwoude. Als er geen kapel op Deek stond, dan hoorde het gebied waarschijnlijk bij de parochie van Noord-Scharwoude. Maar het is goed mogelijk dat er wél een kerk op Deek stond, die later werd vervangen door die van Veenhuizen.
Rond 1420 verdween Deek in het water van het meer De Waard. De bewoners konden nergens anders heen dan naar hun weilanden in Veenhuizen. Het is niet uitgesloten dat er een kerk op Deek heeft gestaan als voorganger van die van Veenhuizen. Er is geen dorpskern ontstaan rond de kerk van Deek, zoals in andere dorpen wel het geval was.
De oudste vermelding van Veenhuizen
De naam Veenhuizen komt voor het eerst voor in een oorkonde van 6 maart 1289. In dit document worden de vredesafspraken besproken tussen de West-Friezen en graaf Floris V, na hun nederlaag in 1288. Omdat Veenhuizen samen met andere dorpen wordt genoemd, weten we dat het toen een volwaardig dorp was. Ook blijkt dat Veenhuizen betrokken was bij de lange strijd tussen de West-Friezen en de Hollanders, die duurde van 1100 tot 1297.
Na 1289 komt de naam Veenhuizen bijna niet meer voor in de bronnen. Waarschijnlijk was het dorp kleiner geworden en hoorde het als buurtschap bij de Langedijkerkogge. Mogelijk had het zoveel land verloren aan het meer De Waard, dat het zijn zelfstandige status verloor. Een kogge was in de middeleeuwen een soort bestuurseenheid. Het was een groep dorpen of een gebied dat samen regels had en bestuurd werd door lokale leiders. Een kogge had een eigen rechtbank, mensen werkte vaak samen aan het onderhouden van dijken of om het land te beschermen tegen het water. Ook betaalden de mensen belasting aan de graaf of heer van het gebied.
In 1320 wordt Veenhuizen genoemd in een klacht over de pastoor: de bewoners waren ontevreden over hem. Pas in 1386 komt de naam weer terug in een oorkonde van hertog Albrecht van Beieren. Hij gaf toen toestemming om het waterkanaal de Langereis te graven.
In 1436 gaf Filips de Goede Veenhuizen als heerlijkheid aan Bertout van Assendelft. Later kwamen deze rechten via erfenis in handen van de familie Van Brederode.
Wat is een heerlijkheid en wat betekent dat voor Veenhuizen?
In de middeleeuwen was een heerlijkheid een gebied waar een heer de baas was. Deze heer had speciale rechten, zoals het innen van belasting, het maken van regels en het houden van een eigen rechtbank. Hij kreeg deze rechten van een hogere macht, zoals een graaf of de koning. Een kogge was een district of gebied. In West-Friesland had je Vier Noorderkoggen, een groep van vier gebieden die samenwerkten.
Veenhuizen was vroeger zo’n heerlijkheid. Dat betekent dat het dorp en het omliggende land onder het gezag van een heer vielen. Deze heer bepaalde wat er gebeurde in het gebied. Hij kon bijvoorbeeld beslissen over straffen, over wie welk land mocht gebruiken, en over het onderhoud van dijken en wegen.
Als een heerlijkheid werd weggegeven, betekende dat dat de rechten over het gebied werden overgedragen aan iemand anders. Dat kon bijvoorbeeld een klooster zijn, een edelman of een stad. Die nieuwe eigenaar kreeg dan de macht over het gebied en mocht voortaan de regels bepalen.
Voor Veenhuizen betekende het weggeven van de heerlijkheid dat het dorp niet langer zelfstandig was, maar bestuurd werd door een nieuwe heer. Dat had invloed op het dagelijks leven van de mensen die er woonden.
De omringdijk van Veenhuizen
Het gebied tussen de Groenedijk (de omringdijk van Veenhuizen) en de Vijvertocht heeft vroeger vaak last gehad van overstromingen. Om het dorp te beschermen tegen het water van het meer De Waard, werd er een dijk aangelegd. Daardoor was er ook een molen nodig om het water weg te pompen. Waarschijnlijk kwam er pas na 1545 een windmolen in Veenhuizen.
Toen het meer De Waard in 1631 werd drooggelegd, kwam Veenhuizen in de nieuwe polder Heerhugowaard te liggen. Er werd een weg aangelegd: de Kerkweg. Pas in de 19e eeuw gingen de boerderijen zich langs deze weg vestigen.
Hoewel Heerhugowaard inmiddels sterk is verstedelijkt, heeft Veenhuizen zijn open en landelijke karakter behouden. Als u om zich heen kijkt, ziet u dat nog steeds. De brug, de begraafplaats, de funderingen, de luidklok en het praalgraf zijn allemaal beschermd als gemeentelijk monument.